De meeste dromen zijn bedrog. Een verhaal van Nancy, Hannah, Menka, Oskar en Sam.

verhalenbundel
Verhalen in alle talen

1

Hoe langt duurt het nu al? Zeker tien dagen zit ik opgesloten thuis. Huisarrest. En dan nog tijdens de vakantie. Mijn moeder kan het niet van zich afzetten en blijft kwaad. Het gaat eerder van kwaad naar erger. Geen woord komt er over haar lippen, ze ademt gejaagd als ik in de buurt komt en roept: “Ga terug naar je kamer”.

Ik heb weeral slecht geslapen. Zuchtend sta ik op, kleed mij aan en open de gordijnen.

Fantastisch, het regent! De straten zijn verlaten en mijn moeder is op dit uur druk bezig. Ik glip naar beneden, neem haar zwarte regenjas want mijn gele valt te veel op.

Voorzichtig open ik de deur, voel de druppels op mijn gezicht en blijf even staan vooraleer ik ervandoor ga. Ik had beter mijn laarzen aangedaan. Het regent blijkbaar al een tijd waardoor er veel plassen zijn in het beschadigd wegdek. Hoelang wonen we nu al in deze buurt? Drie jaar ongeveer nadat moeder haar ontslag kreeg als journaliste. Nu bereddert ze zich met naai- en strijkwerk thuis en freelance vertaalwerk. En ik ben nog te jong, hoewel mijn moeder het vaak genoeg zegt: “Over twee jaar kun jij ook je steentje bijdragen.”

Ik ben content dat we hier wonen, zo heb ik Nadira leren kennen. Nog een paar straten en ik ben bij haar. Ik kon geen sms sturen want mijn moeder heeft mijn gsm. Ongezien ben ik in de tuin geraakt. Daar schuif ik de tuintafel tegen de muur, klim erop en kijk door haar venster. “Aha”, opgelucht zwaai ik en Nadira springt verrukt op en kijkt dan verschrikt naar de deur. Eens haar slaapkamerdeur toe, ben ik vlug binnen. “Hoe ben jij thuis weggeraakt?”, zegt ze verrast. “Is het veilig hier?”, vraag ik. We besluiten om toch weg te gaan. De school is niet ver en daar kunnen we in de fietsenstalling schuilen.

“Hoe kwam je er toch bij om naar je vader te gaan?”, vroeg Nadira. Mijn vader is bij mijn moeder weggegaan toen ik nog maar 2 jaar was, sindsdien had ik hem niet meer gezien. “Ik kon er niet meer tegen dat ik niets over hem wist en niets van hem hoorde. Mijn moeder wil nooit over hem praten. Ik wilde hem zien. Hij is toch mijn vader! Je weet dat ik zijn adres al een tijd gevonden had. Ik nam geld van mijn moeder voor de treinreis. Bij mijn vaders huis aangekomen, herkende hij mij niet. Ik stond daar maar op de stoep en ik zei niets. Hij wilde de deur dicht doen en dan zei ik dat ik zijn dochter was. Nog geen vijf minuten later zat ik bij hem in de auto op weg naar mijn moeder. Geen woord heeft hij gezegd. Toen ik uitstapte, blafte hij me toe dat ik dit geen tweede keer moest proberen.”

Nadira kwam dichter en troostte mij. We zeiden een hele tijd niets. Het kletteren van de regen bracht mij tot rust en ik legde mijn hoofd op Nadira’s schouder.

2

“Wat is ze toch een engel”, denk ik. Het is ongelooflijk wat een steun Nadira de laatste maanden voor me geweest is. Als ontdekken dat mijn vader niets met me te maken wil hebben nog niet voldoende was, zit ik alleen met een ambitieloze moeder opgescheept die naast haar freelance baantjes waar ze zelden de maand mee rondkomt, als fulltime job heeft mij het leven lastig te maken. Ik had gehoopt dat mijn vader anders was en al zeker anders dan Patrick, de kaal en leeghoofdige nieuwe vriend van mijn moeder. In mijn dromen die ik al sinds ik me herinner heb, zocht mijn vader me jarenlang tevergeefs en zou onze eerste ontmoeting aanvoelen alsof we nooit anders hadden gekend. Ik droomde van een vader die me letterlijk en figuurlijk omarmde, de Eva die ik echt ben en niet degene die van alle kanten aan banden wordt gelegd door sociale normen en een moeder met een rechttoe rechtaan idee over wie haar dochter is en vooral moet zijn – lees: een ja-knikkende barbiepop. Helaas zijn de meeste dromen bedrog, dat weet Marco Borsato al van voor ik geboren ben en weet ik sinds een dikke week ook. De gedachten aan die pijnlijke autorit raken maar niet uit mijn hoofd. Ik had in de verste verte niet verwacht dat een zwijgende autorit van bijna twee uur het vervolg van mijn eerste en waarschijnlijk meteen laatste ontmoeting met mijn vader zou zijn. De teleurstelling die ik voelde toen hij met een norse blik op oneindig wegreed heb ik nooit eerder gevoeld.

Mijn gedachten dwalen verder af naar mijn diepste verlangens, allermooiste dromen en meest wonderbaarlijke wensen. Ik raak dieper en dieper in een negatieve spiraal terecht want het lijkt allemaal zo ver weg van het leven dat ik nu leid, of misschien moet ik eerder lijd met een lange ij schrijven. Dikke tranen rollen over mijn wangen en ik vergeet alles om me heen. De regen die klettert op de fietsenstalling, mijn te grote regenjas die zompig aanvoelt en zelfs de engel naast me, Nadira. Pas als ze een van mijn tranen weg wrijft en haar zijdezachte hand op mijn been legt besef ik opnieuw dat ik hier niet alleen zit. Ik bloos en geen idee of dat komt door schaamte van mijn betraand gezicht of haar aanraking die meer dan plezierig aanvoelt.  Ik kan een glimlach doorheen mijn tranen niet verbergen en dat ziet ze. Ze glimlacht terug, haar donkerblauwe ogen lachen mee en er verschijnen kuiltjes in haar wangen. Het kalmeert me en als ze me een kneepje in mijn been geeft, wordt alles rondom me stil. De regendruppels op het fietsenrek dringen niet meer binnen, de wereld staat even stil. Zou zij dit ook zo aanvoelen? Ik kijk Nadira aan en als onze blikken raken, leun ik me iets dichter richting haar knaprode lippen. Onze lippen raken bijna, maar dan schrikt ze recht. “Kom, ik weet iets wat je gaat opbeuren”, zegt ze. Ondanks dat ik hier het liefst nog uren zou zitten naast haar, volg ik slaafs.

3

“Kijk, ik ga je een chocoladetaart bakken met een glas wijn”, zei Nadira. We aten samen taart en dronken een glas rode wijn. De wijn inspireerde me om dichterbij haar te komen. Ik nam haar hand en hield ze stevig vast. “Bedankt Nadira om er voor mij te zijn.” Voordat ze iets kon terugzeggen, kuste ik haar op de lippen. Toen ze me ook echt terug kuste, verdween al mijn pijn in dat moment en kon ik aan niks anders denken dan aan haar.

Mijn emoties overheersten. Liet ik de teleurstelling overwinnen of de liefde? Moest ik wenen van blijheid of van verdriet? Mijn innerlijke tweestrijd werd verstoord door iemand anders’ tranen vanachter het raam. Nadira’s moeder stond er samen met een voor mij onbekend meisje. Ik keek vragend naar Nadira. Ze wist wat ik wilde vragen. “Dat is m’n zus, ze is al drie jaar lang getrouwd maar haar schoonmoeder liet ons haar nooit bezoeken.”

“Mama, ik wil daar niet meer wonen. Niemand houdt van me in dat huis, niemand spreekt met mij behalve als ze willen dat ik iets voor hen doe maar anders nooit. Ik heb geen vrijheid, ze houden mij altijd in de gaten, ik mag nergens gaan zonder hen”, zei Mahira, de zus van Nadira.

“Dat is niet het leven die ik wou”, ging ze verder, “ik wou speciaal worden, ik wou iets goeds in mijn leven doen, ik wou mijn doelen bereiken. Nu is mijn leven niet meer van mij, nu heb ik geen recht op mijn leven, ik wou gelukkig zijn maar nu ben ik gewoon een vogel in een kooi.”

Na het horen van het verhaal van Mahira voelde ik me anders. Ik bekeek het leven van een andere kant. Tot nu toe dacht ik altijd dat ik de enige ongelukkige persoon was op de wereld maar mijn pijn is niets in vergelijking met Mahira’s tranen.

4

Ik ben papa geworden zonder dat te willen zijn eigenlijk. Zonder echt te beseffen dat dat mijn leven zou veranderen. Ik was te jong zou ik kunnen zeggen, te onervaren, te, te… Maar het feit is dat ik dat niet wou. Verre van, een kindje! In mijn leven, in mijn dagelijkse manier van de ‘dingen te doen’. Nee, neen! Dat kon ik me toen niet permitteren. En ja, ik ben gewoon weggegaan want die vrouw wou, koste wat het kost, mama worden! Ze was even jong, even naïef als ik toen en toch wou ze dat.

Ja, ik ben weggegaan, weg van alle verantwoordelijkheden om mijn eigen leven verder te kunnen leven, om ‘mijn dingen’ te doen, zoals altijd. En eerlijk gezegd heb ik bijna geen enkele seconde aan dat kindje gedacht, nooit. Nooit! Tot het moment dat ze (theoretisch gezien, ‘mijn dochter’) voor de deur stond. Na al die jaren, nadat ik een totaal ander leven had en andere prioriteiten, stress, te veel dingen om te doen, druk druk druk, … En daar stond ze toen voor mijn deur: mijn dochter! Ik werd razend en was zeer kwaad op haar. Waarom, waarom in Gods naam deed ze zoiets? Waarom mijn leven zo proberen te verpesten? Mijn mooie, perfecte leven!?

“Niet nadenken!”,  dacht ik toch op dat moment. “Kom, in den otto!” Ik bracht haar weg, terug naar haar mama, naar haar leven zonder iets te zeggen en zonder iets te vertellen! Ik wou haar alleen maar zeer duidelijk maken dat dit – zij en ik, ik en zij – geen optie was. Dit mocht geen tweede keer gebeuren!

Terug thuis nu, enkele dagen nadien. Terug thuis, terug in mijn zekerheden. Minder fier op mezelf dan ik zou denken. Te veel nadenken. Te veel. Terug thuis en toch beetje bij beetje, wat nieuwsgierigheid voelen. Gewoon aan haar denken – ‘mijn dochter’ – wat voor meisje zou ze zijn? Wat voor relatie heeft ze met haar mama? Heeft ze een lief? Wie is ze feitelijk?

Terug thuis in mijn wereldje vol zekerheden die mijn leven vormgeven. Morgen ga ik verder. Morgen ga ik werken, naar de bakker, tv kijken en een glaasje wijn drinken. Morgen. Op dat moment wordt op de deur geklopt.

5

Hij zou jammer genoeg nooit te weten komen wie er aan de andere kant van die deur stond, want op dat moment schoot hij wakker uit zijn droom.  Wat zeg je? Droom. Neen. Het was meer dan dat, het was een heuse nachtmerrie! Hij die vorig jaar op Vaderdag door zijn dochter Eva nog genomineerd werd als liefste papa ever. Waar haalt dat onderbewustzijn zulke dromen toch vandaan? Hij schudt de nare nasmaak van zich af en stapt gezwind uit bed. Z’n blaas staat op springen dus haast hij zich naar de badkamer. Even later ontsnapt een verlossend ‘Aaaah’ aan z’n lippen.

Hij opent het badkamerkastje en haalt het scheerapparaat vanonder het stof. Sinds zijn haardos na de kanker weelderig terug groeide, had hij er de schaar niet meer in laten zetten. Maar vandaag is een belangrijke dag. Alles is tot in de puntjes geregeld. Aan de slag dus maar!

Een flink uur later staat hij lekker opgefrist in de keuken. De ontbijtgranen die hij gisteravond nog voorbereid had, staan geduldig in de koelkast te wachten. Dat smaakt! Z’n gedachten dwalen af naar vroeger. Naar zijn kleine meid en naar hoe snel de tijd toch gaat. Hij was zelf nog een kind toen ze geboren werd. Met zijn zeventien jonge jaren had hij inderdaad andere dingen aan zijn hoofd dan papa te moeten zijn. Tot zover klopte de droom wel degelijk. Maar zijn ouders hadden erop gestaan dat hij z’n verantwoordelijkheid nam. Ze woonden niet erg groot maar toch hadden ze hem en zijn vriendin Rachel onderdak geboden. Ook toen kleine Eva geboren werd, mochten ze blijven. Toch was het leven niet altijd even makkelijk geweest. Hij kon de verantwoordelijkheid voor zijn jonge gezin niet dragen, vertrok twee jaar later om te gaan werken als diepzee krabvisser op de ijskoude Beringzee en kwam pas terug toen Eva al flink aan het puberen was.

Het harde leven op zee had van hem een milder man gemaakt. Maar dat zag Eva niet. Het eerste jaar van zijn terugkomst wilde ze dan ook niets van hem weten. Dat had hij ergens wel verwacht. Hij wist dat hij geduldig moest zijn. Rachel was daarin een grote steun voor hem. Zij was altijd van hem blijven houden. Natuurlijk had ze geprobeerd om het leven van een alleenstaande moeder te leven. Maar toen ze hoorde dat ze omwille van bezuiniging niet langer aan de slag kon bij de krant voor wie ze als journalist een wekelijkse column verzorgde, had ze zich door Patrick laten troosten. En hij was niet meer weggegaan. Maar echt gelukkig was Rachel niet met hem.

Het basgeluid van de kerkklokken haalt hem uit zijn mijmeringen en vertelt hem dat het hoog tijd is om het kostuum aan te trekken dat hij precies zes maanden geleden voor deze dag gekocht had. Nog even en het is zover. Hij neemt de autosleutels van het elegante retrokastje dat hij op een rommelmarkt in Zweden op de kop had kunnen tikken en stapt het grindpad van de oprit op. Daar staat zijn originele Morris Minor blinkend op hem te wachten. Nu duurt het niet lang meer. De muziek op Klara brengt hem nog meer in de stemming.

Een half uur later staat hij voor de deur. Hij belt aan. Het duurt even voor de voordeur aarzelend open gaat. Dit is het moment waarnaar hij maanden heeft uitgekeken. Daar staat ze. Zijn bloedmooie dochter. Eva.  Ietwat gegeneerd over de tranen die van pure ontroering over zijn wangen bungelen, geeft hij haar een onhandige knuffel die ze warm beantwoordt. Haar getinte huid steekt mooi af tegen het roomwitte broekpak dat ze elegant draagt, een knalgele roos op de revers ervan. Vrolijk stapt ze bij hem in de auto.

Er staan al veel mensen te wachten aan de Magdalenakerk. De zon speelt verstoppertje met de wolken maar niemand die het merkt want alle ogen zijn op haar en hem gericht. Voor ze uitstappen kijken ze elkaar nog heel even heel intens in de ogen. Er spreekt niets dan liefde en dankbaarheid uit voor alles wat tot dit moment geleid heeft. Met deze liefdevolle blik, die alle woorden overbodig maakt, leidt hij zijn mooie dochter tot links vooraan in de kerk waar haar aanstaande, Nadira,  blozend van opwinding, staat te wachten. Hij laat nog een zachte zoen achter op Eva’s wang en die van zijn schoondochter voor hij z’n blik richt op Rachel. Traag wandelt hij op haar af, hij wil dit moment zo lang mogelijk rekken. Zijn hand omsluit de eenvoudige gouden ringen die in z’n rechterzak zitten. Op het moment waarop hij bij haar aankomt en ze met pretlichtjes in de ogen knikken naar de voorganger, begint deze aan de bijzondere dubbelceremonie.

Er is niets mooiers dan een nieuw begin.

Deel