“Ik had mijn thuis, mijn familie, een interessante baan, een mooi leven en alle vertrouwen in de toekomst in Moerioepol in Oekraïne. Op 24 februari 2022 kwam hier een abrupt einde aan. Ik moest mijn huis, mijn bezittingen, mijn herinneringen, de wereld die ik kende… achterlaten. De oorlog op zich vond ik niet het ergste, maar het gevoel dat ik plots alles in één moment kwijt was. Alles wat mij dierbaar was, viel weg.“ Svitlana, vrijwilliger bij de bibliotheek in Oostende, doet haar verhaal aan de bibliotheek naar aanleiding van Wereldvluchtelingendag op 20 juni 2026.

Ik woonde in de grote, prachtige havenstad Marioepol aan de oevers van de Zee van Azov. De stad telde meer dan 500.000 inwoners. Ik had een gezin: een man, een dochter en mijn mama. Ik werkte als plaatsvervangende ploegbaas bij de grote IJzer- en Staalfabriek waar ongeveer 15.000 mensen actief waren. Ik behaalde goede resultaten en op een dag kreeg zelfs ‘de prijs van de beste werknemer’. Ik had veel vrienden en kennissen. Ik had alles wat ik nodig had om gelukkig te zijn.
Met het uitbreken van de oorlog kwam onze stad zwaar onder vuur te liggen. De intensiteit van de beschietingen nam dagelijks toe en in een paar dagen tijd was de situatie ondraaglijk. De stad raakte geleidelijk aan omsingeld. Elektriciteit, water, gas en vervolgens de communicatie vielen één voor één uit. Het stedelijke omroepsysteem werkte niet meer. Winkels, ziekenhuizen, apotheken, politiediensten,… functioneerden niet langer. Bij het uitbreken van de oorlog verlieten zowel het stadsbestuur als de bijhorende diensten Marioepol. De inwoners werden aan hun lot overgelaten. De stad was belegerd. Niemand kon vertrekken, maar het was ook onmogelijk om de stad binnen te komen.
De beschietingen werden heviger en breidden zich uit. Ze waren zo frequent dat de stilte onwerkelijk leek. De grond beefde, de muren van onze huizen scheurden, ramen sneuvelden. Duizenden mensen vluchtten naar de kelders. Deze donkere, vochtige ruimtes waren ongeschikt als schuilplaats, maar werden ons toevluchtoord, onze laatste hoop. Waar ooit vergeten rommel lag opgeslagen en ratten rondliepen, sliepen nu ouderen, kinderen en iedereen die niet in hun appartement kon blijven. Op een koude vloer bedekt met oude dekens en jassen. Buiten was het -15°C, binnen was de temperatuur dezelfde. We konden ons onmogelijk warm houden. Er was bijna geen eten: mensen aten wat ze konden vinden en wat er nog overbleef. Ze deelden alles tot de laatste kruimel. Water was goud waard: het werd druppel voor druppel verzameld, uit gevallen sneeuw gehaald, uit verwarmingssystemen afgetapt en er werd gezocht naar verlaten putten en bronnen.
In Marioepol lieten bijna één op vier inwoners het leven.
Ouderen, zieken en kleine kinderen kregen de zwaarste klappen. De meeste huizen waren volledig of gedeeltelijk verwoest, de ramen verbrijzeld. Veel huizen brandden volledig af, vaak met de bewoners er nog in. Tijdens de gevechten kwamen ongeveer 150.000 mensen om in onze stad. De inwoners moesten begrafenissen midden op de binnenplaatsen voltrekken. Soms lieten zij lichamen gewoon op straat achter, bedekt met doeken of oude lakens.
Tijdens al deze akelige gebeurtenissen kreeg mijn moeder een ernstige ziekte. Begin maart kon ze gewoonweg niet meer opstaan. En alsof er nog niet genoeg miserie was – er waren constant beschietingen – moest ik ook nog eens voor een bedlegerige vrouw zorgen, en dat zonder luiers, medicijnen, eten, drinken of wat dan ook.
De beschietingen waren zo hevig dat de levenden soms jaloers waren op de doden.
Het is moeilijk te bevatten dat iemand in de 21ste eeuw nog zoveel angst kan ervaren en geen toegang heeft tot de basisvoorzieningen. We konden ons niet wassen, naar het toilet gaan, ons opwarmen, eten of zelfs slapen.
Door de hevige beschietingen was ik gedwongen om samen met mijn buren in de kelder te gaan wonen, waar ik bijna twee maanden heb doorgebracht. Het was een donkere, koude, vochtige, onbewoonbare ruimte vol ratten zo groot als een kat. We trachtten te overleven.
Ik heb het overleefd, maar mijn moeder is nooit hersteld. Ze kreeg niet de medische hulp die ze nodig had. Toen de stad bijna volledig bezet was, nam ik contact op met het ministerie van Noodsituaties. Ze boden ons aan om mijn moeder en mij te evacueren naar het naburige dorp waar een ziekenhuis was. Zonder aarzeling stemde ik toe. Ik greep de kans met beide handen aan om aan deze hel te ontsnappen.
Ik wilde mijn moeder naar mijn zus in Soemy brengen. We reisden eerst naar het dorp Nikolskoye, waar artsen mijn moeder twee weken in het ziekenhuis behandelden om vervolgens naar de stad Berdyansk te reizen. Daar wachtten we bijna twee weken op de mogelijkheid om te vertrekken. Bij de eerste gelegenheid vertrokken we naar Zaporizjzja, vervolgens naar Charkiv, en uiteindelijk bereikten we mijn zus in Soemy. Daar deden mijn zus en ik er alles aan om de noodzakelijke behandeling voor onze mama te krijgen, maar helaas ging er teveel cruciale tijd verloren en een maand later overleed ze. Na haar dood voelde het alsof een deel van me samen met haar was gestorven.
Ik begroef mijn moeder en innerlijk begroef ik mijn vroegere leven.
Ik kon het niet meer verdragen om te blijven op de plek die me elke dag herinnerde aan de oorlog, pijn en verlies. Ik wist dat als ik bleef, ik zou instorten. Dus heb ik mijn spullen ingepakt en besloot ik het land te verlaten. Aanvankelijk was ik van plan naar Frankrijk te gaan om mijn vrienden te bezoeken. Maar onderweg ontmoette ik een vrouw die naar België reisde. Tijdens onze reis leerde ik veel over België via haar. Ik realiseerde me dat het een prachtig land is met geweldige en vriendelijke mensen. Dus besloot ik daar naartoe te gaan.
Bij aankomst in België meldde ik me aan bij het registratiecentrum. Waarop ik onderdak kreeg in het tijdelijke opvangcentrum Ariana in Brussel. Ik begon mijn leven met een schone lei. Ik verkende de stad met Google Maps. Ik leerde communiceren met Google Translate, omdat ik geen van de landstalen sprak. Ik ben nog nooit in het buitenland geweest, dus aanpassen was moeilijk. Maar dankzij mijn communicatievaardigheden, uithoudings- en doorzettingsvermogen heb ik alles overwonnen en later zelfs mijn landgenoten geholpen om te integreren. Het was natuurlijk erg moeilijk.
Hier leerde ik me aan te passen aan de gewoonten van een nieuw land en een andere mentaliteit.
In afwachting van een toewijzing verbleef ik vier maanden in dit centrum. Daarna plaatsten de hulpdiensten mij in een pas geopend centrum voor Oekraïense vluchtelingen in de stad Verviers. Daar kreeg ik een A-kaart en bleef er bijna een jaar. Ik begon Frans te leren. Maar na een jaar sloot het centrum en was ik gedwongen om zelf een plek te zoeken om te wonen.
Na een bezoek aan Oostende ging ik helemaal van de stad houden. En de droom om er te wonen heeft me geen moment losgelaten. Oostende – stad aan zee – deed me denken aan mijn geboorteplaats Marioepol. Ik begon daar naar een appartement te zoeken, maar dat bleek erg moeilijk. Niemand wilde verhuren aan vluchtelingen met een uitkering en zonder arbeidscontract. Ik heb vier lange maanden gezocht, zonder ook maar één dag te stoppen. En dankzij mijn volharding heb ik uiteindelijk een appartement gevonden. De huisbazin was geraakt door mijn verhaal en verhuurde haar appartement aan me. Daar ben ik haar eeuwig dankbaar voor.
Ik was ontzettend blij dat mijn droom om in Oostende te wonen is uitgekomen!
Langzaam maar zeker begon ik aan alles te wennen. Ook dat was lastig: me inschrijven bij OCMW en VDAB, me aanmelden bij nutsbedrijven, meubels zoeken, een verzekering afsluiten, een huisarts vinden, me inschrijven voor Nederlandse taallessen, integratiecursus volgen en nog veel meer… Dit alles moest gebeuren zonder de taal te spreken. Maar ik ben gewend om moeilijkheden te overwinnen, en stap voor stap heb ik mijn draai gevonden in een nieuw land en een nieuwe stad.
Ik ben altijd al een doorzetter geweest. En in Oostende probeer ik elke kans te grijpen om te integreren en mezelf te ontplooien. Ik studeerde een tijdje Nederlands, heb ook een integratiecursus afgerond en het bijbehorende examen met succes afgelegd. Om mijn communicatieve vaardigheden te verbeteren, volg ik ook regelmatig conversatielessen. Omdat ik in mijn thuisland een succesvolle functie heb bekleed, wil ik ook in België in hetzelfde vakgebied werken en een bijdrage leveren aan de maatschappij. Daarom wil ik de taal leren tot het niveau dat nodig is om vloeiend te kunnen communiceren.
Momenteel ben ik vrijwilliger bij de bibliotheek van Oostende. Ik ben de bibliotheekmedewerkers erg dankbaar voor de warmte waarmee ze me ontvangen hebben en voor de steun die ze me bieden.
Ik beschouw de bibliotheekmedewerkers als mijn kleine familie in België.
Ik wil nuttig zijn en ook anderen helpen door mijn kennis en ervaringen te delen. Het is belangrijk voor mij om er te zijn voor mensen, anderen te steunen en hen te tonen dat zelfs na alles te verliezen, je je plek ergens anders kan vinden. Ik apprecieer enorm de vriendelijkheid en de gemeende, menselijke aandacht. Soms helpt een vriendelijk woord of een helpende hand meer dan je denkt. Ik wil iedereen die de hoop heeft opgegeven, helpen door te laten zien dat je, wat er ook gebeurt, altijd opnieuw kan beginnen en gelukkig kan zijn. Mijn verhaal gaat niet alleen over oorlog en verlies.
Het is een verhaal over liefde voor mijn moeder, over vrouwelijke kracht, over veerkracht en het vermogen om opnieuw te beginnen.
Mijn reis ging door de pijn en onzekerheid. Maar ik vond de kracht om alles opnieuw op te bouwen. Ik ben ervan overtuigd dat die kracht in ieder van ons schuilt.
Ik heb er niet voor gekozen om vluchteling te zijn. Maar ik kies wel op welke manier ik in mijn schoenen wil staan: sterk, dankbaar en vol leven. Ik wil ook mijn verhaal met zoveel mogelijk mensen delen. Daarom schrijf ik momenteel een boek over mijn vlucht uit Oekraïne en hoop ik lezers te vinden voor mijn verhaal.
De oorlog nam mijn huis af, mijn vroegere leven en de persoon die me het meest dierbaar was. Maar het belangrijkste kon die niet wegnemen: mijzelf en mijn wil om te leven.
Tekst en foto’s door bibliotheek Oostende.